CIMARRÒN - ORINOCO / LA RECIA

Artiest info
 
facebook
distr.: Xango

Als je al één artiest moet uitroepen tot dé ontdekking van de voorbije jaren, dan lijkt me de kans zeer groot dat je uitkomt bij het Colombiaanse collectief Cimarròn: al vier platen en bijna twintig jaar lang zet deze bende van zes een soort nieuwe standaard voor alles wat de “joropo”-muziek betreft. Met een bijzondere harpist en songschrijver -Carlos Rojas” en een flamboyante zangeres -Ana Veydo- in de rangen bepalen zij eigenlijk al een hele tijd lang waar het om draait in de muziek van de Colombiaanse en Venezolaanse hoogvlakten.

Jammer genoeg overleed Rojas een drietal jaar geleden, veel te jong, want pas 67n en dus moest Cimarròn zichzelf heruitvinden. Beide hierboven vermelde platen zijn illustraties van de twee belangrijke fasen in het bestaan van de band: “Orinoco” is de laatste mét Rojas en “La Recia” de eerste zonder hem, maar met Veydó als enige stuurvrouw aan het roer. Heel kort door de bocht en héél bondig samengevat, komt de aanpak van Cimarrón er op neer dat de speerpunten van de Colombiaanse joropo behouden blijven -de hoge zang, de razendsnelle ritmes-, maar dat de harp niet (langer) het hele gebeuren domineert: er is plaats voor de snareninbreng van de Venezolaanse tak van de beweging en vooral: de manguaré doet z’n intrede. Dat is een bijzonder groot percussie-instrument, bestaande uit twee uitgeholde boomstammen, dat oorspronkelijk gebruikt werd om berichten van het ene dorp nar het andere te seinen, over de Andes-bergen heen.

Cimarrón maakt er dus gebruik van, zowel in de studio os live op het podium en je kunt rustig zeggen dat dit instrument mee bepaalt hoe de muziek van de band vandaag klinkt. Kennelijk moet dat in Europa nogal god ontvangen worden, want nauwelijks enkele weken geleden was het gezelschap in Duitsland en Polen te gast op enkele festivals en speelden ze de boel simpelweg plat. Fat kan natuurlijk ook gelegen hebben aan de dansers die steevast deel uitmaken van het podiumgebeuren.

Wat de muziek op beide platen betreft, kun je zeggen dat “Orinoco” meer de traditionele toer op gaat -je ziet de uitgestrekte hoogvlakten en de paardrijdende veehoeder zo voor je en je hoort dus het Country-gerelateerde en om “de man’ draaiende muziekwerk- terwijl het op “La Recia” meer om de spirituele en op de natuur gefocuste kant van de natuur en deus “De Vrouw” gaat. De nieuwe plaat is dus een soort stap naar het illustreren van de diversiteit in de Colombiaanse maatschappij -het zijn niet alleen veehoeders en drugshandelaars, maar er is zeer zeker ook een melodieuze, vrouwelijke kant te ontwaren en vooral: de band probeert de dialoog tussen beide stromingen op gang te brengen of the houden.

Dat levert dus twee nogal verschillende platen op, die beiden een meerwaarde krijgen doordat ze aangevuld worden door de andere. Dit zijn dus ”complementaire” platen, die je het best na elkaar kunt beluisteren, al was het maar omwille van “Parranda Quitapesares” dat op beide platen voorkomt en de verschillende aspecten van de band in de kijker zegt.

Ik heb met de jongste plaat wel één probleem: als je al de hernemingen van het eindtotaal aftrekt, blijven er slechts vijf nieuwe nummers over en dat is, na bijna drie jaar, toch eerder pover als netto-oogst. Ik realiseer me maar al te goed dat het niet simpel moet zijn jezelf als groep heruit te vinden, maar wellicht komt “La Recia” iets te vroeg om artistiek het niveau van “Orinoco” te bereiken. Heb ik daarmee iets negatiefs gezegd? Helemaal niet: ik benadruk alleen dat je, om de transformatie van de band te kunnen vatten, beide platen na elkaar moet draaien en dat de nieuwe versie nog niet het peil van de oude bereikt.

(Dani Heyvaert)